Het beeld Maria van Renkum

Het verhaal van Maria van Renkum

In het lommerrijke, groene beekdal klonk honderden jaren geleden dag in, dag uit, het monotone kloppen van de zware hamers in de grote houten kuipen. De nobele kunst van het papiermaken vierde hier in de streek hoogtij. Op deze mooie plek aan de Veluwezoom onderbraken ook veel mensen even hun reis om traditiegetrouw een gebedje ‘te doen’ bij een houten beeldje dat iedereen zo goed kende en dat hier, vlakbij de herberg, in een kappelletje in het weiland stond. Dit 63 cm. hoge Mariabeeldje werd dan ook wel genoemd ‘Onze Lieve Vrouwe Capelle’. Hoe dit miraculeuze beeldje nu juist hier bij ons in Renkum terecht is gekomen heeft tot op heden nooit iemand kunnen achterhalen. “Misschien”, zeiden vele pelgrims, “is het wel op een wonderbaarlijke manier hier in Redichem belandt; ja, misschien is het wel rechtstreeks uit de hemel nedergedaald”. Niet zo’n gekke gedachte voor die tijd, het beeldje was in de ogen van gelovigen ‘wonderbaar’, ja zelfs ‘wonderdadig’, en bovennatuurlijk.
Er waren rondom het beeldje namelijk veel dingen gebeurd die niet waren te verklaren, gebedsverhoringen en genezingen: ‘wonderen’ zei men. Ook vertelde degenen die het beeldje met eigen ogen gezien hebben over de schoonheid en de uitstraling van Maria en het kindje.

Hoe lang dit beeldje al in Redichem staat weet dus niemand. Vele archieven zijn al minutieus doorgespit en het oudste wat we met zekerheid weten uit al die vergeelde boeken is dat het beeld al in 1380 in Renkum stond en vereerd werd door de mensen uit de hele streek. Door de toenmalige bezitters van dit gebied, de Hertogen van Gelre, werd het beeld met geschenken overladen, waarvan sommigen zelfs zeer waardevol. “Heel Gelre, de Hertog zoowel als de Ridder, Poortman en Huisman placht daartoe ter pelgrimage te gaan”
Er kwamen zoveel mensen naar Maria en er lagen na al die jaren zoveel kostbare geschenken om haar heen dat rond 1400 de bewoners van Redichem de Schutterij O.L.Vrouwe Gilde oprichtten om het kapelletje en het beeldje te beschermen.
De Hertog van Gelre beschouwde het Mariabeeld, dat in zijn landerijen stond, als zijn eigendom. En steeds meer mensen kwamen van heinde en ver om het beeld te aanbidden.
In 1405 vraagt hij daarom de zusters Augustinessen uit Zwolle naar Renkum te komen om hier een klooster te stichten. Het kreeg de passende naam Sancta Maria.
Het beeldje was niet alleen in onze omgeving bekend maar men had er zelfs aan het Franse hof veel over gehoord en daarom stuurde de toenmalige katholieke koning Karel VI in 1401 kostbare relikwieën naar Renkum, een stukje hout van het kruis waaraan Jezus was gestorven en een takje met een scherpe stekel afkomstig van de doornen kroon die Jezus als koning der Joden was opgezet.
 Vele jaren blijft het beeldje in Renkum, maar dan verschijnen er donkere wolken boven het kappelletje.
 Als in 1574 ook Renkum te maken krijgt met de Hervorming en de kapel door de beeldenstormers wordt vernield moeten ook de zusters van het klooster Sancta Maria het dorp spoorslags verlaten en daarmee begint het verhaal van de eeuwen durende ballingschap van Maria van Renkum .
Eerst vertrokken de zusters met het beeld naar Arnhem en uit een oude oorkonde weten we dat ze daarna op 18 juni 1596 een klein klooster betrokken in Wageningen. In een boekenkist tussen bijbels en gebedsboeken verstopt is het vervolgens naar Utrecht is gebracht en het beeldje is toevertrouwd aan de paters Dominicanen, die het een plekje gaven in hun schuilkerk aan de Walsteeg in Utrecht. Jaren later, rond 1648, was de Vrede van Munster getekend die gelukkig ook een einde maakte aan de godsdienstoorlogen.
Maar heel lang blijft Maria dan nog voor iedereen verborgen op een stoffige zolder.

Beeld in huiskamer

Het beeld is terecht.

We maken nu een grote stap in de tijd; naar 1898.
Tijdens een avondvergadering op 11 mei van het St. Bernulphus gilde in Utrecht kwam het beeld weer boven water.
 Dr. Gijsbertus Brom, de toenmalige eigenaar van het beeld vertelde er het volgende over:
 De toen 81 jarige Christoffel Verheem, bewoner van het Utrechtse tehuis Johannes de Deo, had hem verteld dat hij in 1850 een antiek eikenhouten Mariabeeld, ‘met het kindje Jezus op de arm, 63 cm hoog, in verschillende ouderwetse kleuren geverfd’, dat op de rommelzolder van de pastorie werd bewaard, ten geschenke had gekregen. In 1850 toen Pastoor Van Ewijk in Utrecht een nieuwe kerk moest inrichten heeft hij getracht naar beste weten zijn nieuwe heiligdom ook van nieuw kerkmeubilair te voorzien en in zijn vernieuwingsdrift werden verschillende houten beelden die vroeger in de oude kerk stonden naar de zolder van de pastorie verwezen. Sint Dominicus, de engelen, David met de harp, en ook ……onze Maria van Renkum.
 Een paar weken later kreeg Verheem, destijds tuinman van de pastoor, de opdracht de zolder maar eens goed op te ruimen en de houten beelden die geen waarde meer hadden in stukken te hakken. V

Verheem vroeg direct om het Mariabeeld mee naar huis te mogen nemen. “Gooi alles maar weg” zei de pastoor, maar Verheem vond het Mariabeeld erg mooi, deed het beeld niet weg en vroeg het acht weken later nog eens aan de pastoor.
 “Nu Verheem, omdat ik je zo goed ken en je graag mag, kun je het beeld krijgen. Bewaar het dan maar met eerbied want misschien is dit wel het beeld waarbij vroeger wonderen zijn gebeurd” zei de pastoor glimlachend.
 In die tijd, het is inmiddels 1890, was het gebruikelijk dat de beelden in de kerken van steen en daardoor wit behoorde te zijn en dit beeldje was kleurig geschilderd. Zonder te beseffen wat hij aanrichte, verfde de koster het beeld daarom maar ‘mooi’ wit en nam het daarna mee naar huis. Uiteindelijk in 1897 als Verheem zelf zijn intrek neemt in het gesticht Sint Johannes de Deo geeft hij het aan zijn nicht, ene Maria Koot, die het weliswaar mooi vond maar er toch liever geld voor zag en die het Mariabeeld, materialistisch als ze was, daarom voor 25 guldens verkoopt aan de kunstkenner Dr. Gijsbertus Brom. Als kenner van oude liturgische kunst herkende deze, ondanks dat het beeld wit geschilderd was, de afbeelding van Maria van Renkum. Hij vermoedde al dat het beeld overgeschilderd was en na maandenlange noeste arbeid haalde hij onder de witte kalk de oude veelkleurige beschilderingen weer tevoorschijn. Het beeldje ziet er dan weer uit zoals het vroeger in de het kapelletje in Renkum moest hebben gestaan.
In 1905 werd het beeldje door de heer Brom op een expositie ‘Kunst aan het Volk’ in Utrecht te koop aangeboden. Het werd aangekocht door dé grote kenner en verzamelaar van middeleeuwse kunst de heer J.B.van Stolk uit Huis ter Heide. Deze kunstkenner, die zelf protestant was, had een zéér grote verering voor Maria. Zijn villa noemde hij vol trots Mary Cottage. Boven de voordeur was in een nis zelfs een Mariabeeld aangebracht, Maar zijn grote liefde voor Maria van Renkum moeten we bijna zien als Maria’s eigen wil, die naar zijn zeggen, haar grote vereerder tijdens zijn aardse leven niet meer wilde verlaten. Hij wilde het daarom niet afstaan aan de parochie in Renkum waar het beeld toch eigenlijk thuis hoorde. Dit alles vertelde hij eens aan de heer Hub Herkuleijns, bij een van de vele bezoeken die deze historicus aan de heer Van Stolk bracht. De heer Herkuleijns woonde in Arnhem en zijn grote hobby was het snuffelen in oude geschiedenisboeken en vooral had hij belangstelling voor de bewogen geschiedenis van het genadebeeldje van Maria van Renkum.
Zo kwam Herkuleijns er uiteindelijk ook achter dat het beeldje regelmatig aangeboden was aan mensen uit de Renkumse parochie maar dat de verkoop iedere keer niet doorgegaan was. Hij hoorde zelfs dat Pastoor Wolters destijds het beeld helemaal niet wilde hebben. Hij twijfelde aan de echtheid van het beeld en de Renkumse priester was er toen nog van overtuigd dat dit een ‘lelijk en waardeloos’ beeldje was. Maria kwam dus voorlopig nog niet thuis.
Het geduldig wachten van de parochianen in Renkum wordt wel heel zwaar op de proef gesteld, wanneer dan ook nog in de nacht van 5 op 6 mei 1927 de heer Van Stolk onverwachts overlijdt. Men vreesde dat het beeld voor altijd voor Renkum verloren zou zijn. Het was in de parochie bekend, dat ook de weduwe mevrouw Van Stolk het beeld niet graag wilde missen.

Beeld gedragen 6 mei 1928

Maria terug in Renkum
Op 21 maart 1928, feestdag van St. Benedictus, was mevrouw Van Stolk jarig. Tijdens een gezellig verjaardagfeest met haar kinderen vertelde ze dat de heer Herkuleijns en de pastoor uit Renkum weer op bezoek waren geweest waarop haar zoon haar voorstelde het beeld nu toch eindelijk af te staan aan de Renkumse parochie. Zij stemde hier uiteindelijk mee in.
Op 23 maart kreeg pastoor Wolters een telegram van de heer Brom dat mevrouw Van Stolk bereid was het beeld af te staan. Het was die zelfde dag nog door de heer Brom bij de familie Van Stolk opgehaald en naar Utrecht gebracht waar hij het in zijn atelier zou opknappen voor dat het 6 mei, de eerste zondag van de Mariamaand, naar Renkum zou worden gebracht. Vreemd genoeg is dat dezelfde datum waarop de heer Van Stolk een jaar daarvoor ‘naar een beter leven overging’.
Zondag 25 maart tijdens de mis werd het heugelijke nieuws aan de parochianen van Renkum meegedeeld door een bijna uitzinnige pastoor. ’s Avonds had onder grote belangstelling een plechtig lof ‘Te Deum’ plaats. Katholiek Renkum was in de zevende hemel. Mevrouw Van Stolk schonk tevens aan de parochie in Renkum een zeer waardevol collier bij het afscheid van Maria uit Huis ter Heide. En dan eindelijk op 6 mei 1928 is het zover:
 Na meer dan 350 jaar komt Maria weer terug naar Renkum.
 Aan het eind van de ochtend vertrok in Utrecht de auto van Herkuleyns met de heer Brom en het Mariabeeld richting Renkum. 

Onderaan de Grebbeberg aangekomen stond daar een stoet van ruim vijftig auto’s klaar om Maria naar Renkum te begeleiden.
 Overal werd gevlagd en de opmerkelijke stoet trok erg veel belangstelling. Men schat dat ongeveer zes duizend mensen die heugelijke dag in Renkum hebben meegemaakt. Even na 15.00 uur komt de stoet in Renkum aan; in de Dorpsstraat stonden de belangstellenden rijen dik.
 Op het kerkplein wordt het beeld, in een glazen schrijn, door de heren Brom en Herkuleijns uit de auto getild en op een draagbaar geplaatst. Guirlandes en wimpels vormen een haag naar een rustaltaar in het processiepark achter de kerk. Vele duizenden trekken langs het beeld. Hoeveel het er precies geweest zijn is niet bekend. Wel weten we dat de pastoor om half acht de nog wachtende parochianen van Renkum vraagt om toch naar huis te gaan, om zo de mensen die van ver zijn gekomen voor te laten gaan en ze nog de kans te geven het beeld te zien. De parochianen konden het immers zo vaak al ze wilden bezoeken.
 Nu Maria weer in Renkum terug is, komen de bedevaarten ook weer op gang totdat de oorlog uitbreekt.

Dan komt de oorlog.
Gebrek aan benzine in de oorlogstijd waren de oorzaak dat de auto- en motorbedevaarten niet meer konden worden gehouden. En in die tijd verdwijnen zelfs alle feestelijke processies. De oorlog had al veel te lang geduurd en er waren teveel slachtoffers van het oorlogsgeweld. Niemand had z’n hoofd staan naar feestelijkheden. Nee, het werden meer boete- en bidbedevaarten voor de vrede waar men zo vurig naar verlangde.
10 oktober 1944, vlak na de Slag om Arnhem, de jammerlijk mislukte Operation Market Garden, is ook het beeld niet meer veilig op haar mooie plekje in de kerk en wordt Maria goed opgeborgen in de kluis voordat de bewoners van Renkum gedwongen worden te evacueren. Alle inwoners, ook de pastoor met zijn kapelaans en hun huishoudster, verlaten Renkum. Men verwachte dat het maar voor enkele dagen zou zijn. De pastoor zelf vindt onderdak bij de familie Wolfs in de Stationsstraat in Ede. Naarmate de tijd verstreek en de berichten uit Renkum steeds onheilspellender werden, groeide bij pastoor Wolters de onrust over het genadebeeld dat daar moederziel alleen in de kluis lag. Er gingen geruchten dat in de verlaten gebieden de kerkkluizen werden opgeblazen en de kostbaarheden werden gestolen. De pastoor wilde er eigenlijk direct naartoe maar hij kreeg geen toestemming. Steeds weer probeerde hij bij de Ortskommandatur een ‘Ausweis’ te krijgen, maar steeds tevergeefs. Totdat de pastoor met een vooruitziende blik een plan opvatte. “Direct na Nieuwjaarsdag gaan we het beeldje halen, want dan zijn de Duitse soldaten toch nog dronken”.
Zo gezegd, zo gedaan en Maria was aan haar tweede ballingschap begonnen. Eerst gewoon thuis in Ede bij de familie Wolfs, maar toen het daar ook niet meer veilig was, werd het opgehaald door de directeur van het Kröller- Müller museum op de Veluwe, waar het in de kelders ondergebracht werd.
Na de oorlog
19 mei 1946 was het zover: voor de tweede keer werd met grote plechtigheid het beeldje in Renkum ingehaald. En gelukkig kwamen ook de bedevaarten weer naar Renkum. De vaak kleurrijke groepen pelgrims trokken weer door het processiepark rondom de kerk.
Tot in 1956 bezochten jaarlijks meer dan 10.000 mensen Maria van Renkum. Hierna werd duidelijk een teruggang merkbaar, alleen de Ziekenbedevaart die voor het eerst werd gehouden op 2 juli 1956 heeft alle andere overleefd en vindt nog elk jaar plaats. Nu in 2023 zelfs voor de 65ste keer.

DSC_0012

Restauratie van het beeld.
Begin 2004 geeft het kerkbestuur opdracht aan Tineke Oostendorp het beeld te restaureren. Want het was juist de walm van de duizenden kaarsen die het bladgoud, de verf en het hout van het beeld in de loop van de honderden jaren aangetast had. Het beeld is zeer zorgvuldig op conserverende wijze gerestaureerd door de restauratrice. Zij heeft daarvoor het beeld eerst minutieus onderzocht en haar bevindingen beschreven in een uitgebreid restauratieverslag. Het beeld is gemaakt van een zeer goede kwaliteit eikenhout. Een oude boom waarvan de 140 jaarringen zeer smal zijn en het hout zeer homogeen en rechtdradig is. Het beeld is bijna uit een stuk gemaakt en voor een groot gedeelte uitgehold en is vrij dikwandig. Dit deed men destijds om ervoor te zorgen dat de beelden niet te zwaar en daardoor onhandelbaar werden.
 Sommigen 

kunsthistorici en kenners van religieuze kunst vinden, gelet op het materiaal, de vorm, de houding, de manier waarop Maria het kindje vasthoudt en de gelaatsuitdrukkingen, dat het beeldje stamt uit de Hollands-Nederrijnse school. Kunsthistorisch is het beeld stilistisch, technisch en iconografisch bezien een waardevol hoogtepunt van deze kunststroming.
 Maar professor Harry Tummers, hoofddocent bij de afdeling Middeleeuwen van de vakgroep Kunstgeschiedenis van de Universiteit van Nijmegen is daar echter niet zo stellig over. Zijn mening: Het enigszins verticale aan het gelaat en het ontbreken van die typische Keulse glimlach zijn geen Nederrijnse kenmerken. De streek waarin het Mariabeeld is vervaardigd blijft dan ook enigszins onduidelijk. De ene auteur houdt het op ‘Nederrijns’ met invloeden uit de Maasstreek, waarbij het staande kindje op Maria’s dij als typisch Duits wordt gezien, terwijl een andere auteur in de draperiestijl en de verfijnde vormgeving een duidelijke verwijzing ziet naar ‘Maaslands’ met invloeden uit de Nederrijn. Laatst genoemde lijkt het meest overtuigende. Het Maasland staat bekend om zijn vroege Tronende Madonna’s, waarbij een staand kindje op de schoot van Maria ook voorkomt.

Hoe het ook zij, waar het beeldje ook vandaan komt, gelukkig staat het mooie Mariabeeld weer in aller- glorie op haar vertrouwde plaats op het Maria-altaar in de zijbeuk van onze bedevaartskerk in Renkum.

Bron: Tekst, Rob Siepermann
Bron: foto’s, kerkarchief